vrijdag 8 november 2013
Hamster Rave: de hele blog in pdf
Voor nostalgici.
Voor wie mij graag gelezen heeft.
Je kan de hele blog nu downloaden en printen als pdf. Meer dan 400 zaagsels. Neergepend in Antwerpen, Guatemala en Buenos Aires. Ontelbare besognes tussen 2007 en 2013. 276 pagina's uit mijn hamsterhart.
O, wat heb ik u graag geschreven.
donderdag 30 juni 2011
Een Belgische asbestberg in Argentinië
Gepubliceerd door Sam Verhaert op 30 juni 2011 in de Apache rubriek Fotoreportage, Nieuws, Reportage. Oorspronkelijke artikel vind je hier.
Niemand keek ervan op toen eind jaren negentig tienduizend met bouwafval gevulde vrachtwagens door de buurt reden. In González Catán, op veertig kilometer van Buenos Aires, was afval een onderneming als een andere. Het bijzonder transport van Eternit Argentina S.A., een filiaal van de Belgische multinational Etex Group, reed tussen de rookpluimen van de officiële en clandestiene stortplaatsen door.
Aan een uitgegraven kuil, een hectare van zeven meter diep, hielden ze halt om er tienduizenden kubieke meters met asbesthoudende golfplaten, leidingen en cementresten in te kieperen.
Er ging een zeil overheen en niemand keek er meer naar om. Maar afval trekt afval aan. Bewoners ontdekten het asbeststort eind 2010 en informeerden gemeenteraadslid Lobos. Twaalf jaar na het begin van de stortingen voeren ze, samen met Greenpeace, actie.
Groeiende berg
“Zie je die muur?” vraagt raadslid Edgardo Lobos. “Die heeft Eternit hier deze week gezet, nadat ik klacht indiende en Greenpeace het verhaal aan de grote klok hing. Daarvoor werd het terrein enkel afgespannen door een draad. Er was niet eens een gevarenbordje. Iedereen kon hier zomaar binnen en buiten.”
Hij wijst naar het bultige, overwoekerde terrein achter de muur. “Dit is een ‘beveiligde opslagplaats’ voor asbestresten, una celda de seguridad. Vreemd genoeg is de berg met de jaren blijven groeien. Het bouwafval is blootgesteld aan de weerselementen. Op een paar honderd meter hiervandaan liggen vier woonwijken en asbestvezels hou je niet tegen met een muur.”
“Dat klopt,” zegt asbestexpert Eduardo Rodríguez. “Het inademen van een minimale hoeveelheid microscopische vezels kan dodelijke ziektes als longkanker, asbestosis en mesotelioma veroorzaken, zelfs tientallen jaren later.” Volgens de dokter is er geen vuiltje aan de lucht zolang de viezigheid zorgvuldig is begraven. “Maar als dat niet het geval is, zoals Greenpeace zegt, dan heeft González Catán er een probleem bij.”
Helikopter
González Catán is een dramatisch uit zijn voegen gebarsten dorp – even groot en dicht bevolkt als de stad Luik – dat tegen Buenos Aires aanschurkt. Maar voor de bewoners is de Argentijnse hoofdstad ver weg: “God is overal maar doet zijn zaakjes in de hoofdstad,” zegt één van hen. De skyline van González Catán wordt gemarkeerd door de groene vuilnisbergen van één van de grootste storten van de hoofdstad.
Het dorp is één van de vergeten steden in het stroomgebied van de Matanza-Riachuelo. In dit niemandsland wonen vijf miljoen inwoners? Dat is twaalf procent van de Argentijnse bevolking. Meer dan de helft van hen heeft geen riolering. Decennialang loosden leerlooierijen, papierfabrieken en andere industrieën ongestraft hun chemicaliën en zware metalen. De industrie, de bewoners en de opslag van vuilnis maakten het stroomgebied tot één grote risicozone in de achtertuin van Buenos Aires.
Om het probleem in la capital op tafel te krijgen schakelden raadslid Lobos en de buurtbewoners de hulp en de camera’s van Greenpeace in. De milieubeweging kwam zelf bodemstalen nemen en in februari 2011 cirkelde er een helikopter boven het veld. Een spandoek waarschuwde voor ‘Gevaarlijk Afval’.
Tien bodemstalen
“We vonden bouwresten tot aan de kant van de weg,” zegt campagneleider Consuelo Bilbao van Greenpeace, “terwijl de wet zegt dat er een veiligheidsperimeter van vijftig meter rond het stort moet zijn. Eternit dekte het asbestafval wel af met een plastic membraan, maar dat zit slechts zestig centimeter diep onder de grond in plaats van de vereiste twee meter. En in de beschermende grondlaag die daarboven werd gestort vonden we eveneens asbest. Het Nationaal Instituut voor Industriële Technologie (INTI) en een gespecialiseerd laboratorium in Texas, bevestigden in zeven van de tien bodemstalen dertig procent chrysotiel (witte asbest, nvdr).”
“Dat is vrij hoog,” geeft Karel De Wilde, persvoorlichter van Etex Group, aan de telefoon in Brussel, toe. Maar zolang de vezels ingekapseld zitten in het beton is er volgens hem geen gevaar. “De storting gebeurde volledig volgens het boekje.”
Het boekje
Maar wat zegt het boekje eigenlijk over tachtigduizend ton asbestafval? Volgens de milieuwetgeving van de Provincie Buenos Aires hoort het giftig goedje thuis in een ‘beveiligde opslagplaats’. Oorspronkelijk lag het asbestafval midden in de woonwijk San Justo, 15 kilometer verder. Toen Eternit de fabrieksterreinen in San Justo van het bedrijf Monofort overkocht in 1989, kreeg het bedrijf er die afvalberg bij.
Die moest daar weg. Wat ooit werd aangeprezen als hittebestendige en nimmer verslijtbare vezels – asbestos is Grieks voor onvernietigbaar – verhuisde uiteindelijk van San Justo naar de vergeetput van het meer landelijke González Catán.
“Eternit heeft veel geïnvesteerd om van dat afval af te geraken,” zegt dokter Rodríguez. “De onderneming kende de gevaren van asbest. In verschillende landen spanden asbestslachtoffers immers processen aan. Bovendien wisten ze dat ik, in opdracht van het Ministerie voor Volksgezondheid, een wettelijk verbod op asbest aan het uitwerken was. In 2003 zou dat rond zijn, twee jaar vroeger dan in Europa. Op dat moment had de Etex Group zelf de vezel al definitief uit haar vestingen gebannen.”
Gestolen omheining
Maar hoe verklaart het bedrijf dan dat er bouwmaterialen met het Eternit-zegel open en bloot tussen het onkruid liggen? Karel De Wilde: “Iedereen gebruikt bouwmaterialen van Eternit in Argentinië. Dat betekent niet dat wij het daar gestort hebben. We gaan dat opruimen, uiteraard, maar het is niet van ons.”
Kon iedereen daar dan zomaar binnen en buiten wandelen om zijn cementresten, leidingen en dakpannen te storten? Agustín Cozzi, zaakvoerder van Eternit Argentinië heeft een antwoord: “We hebben veel problemen gehad met de beveiliging van het domein. González Catán is geen eenvoudige buurt. Onze omheining is verschillende keren gestolen en de bewaker van het terrein is een paar keer overvallen.”
Voor Greenpeace zijn dat flauwe excuses. “Het is Eternits verantwoordelijkheid om het terrein te bewaken.” benadrukt Consuelo Bilbao. “Es una celda de seguridad!”
Foute vijand
Waakt er eigenlijk iemand over bedrijven als Eternit? “Hier in González Catán is alles toegestaan,” gromt oppositielid Lobos. Daarom klaagde hij naast Eternit ook de verantwoordelijke plaatselijke autoriteiten aan, maar daar wringt het schoentje: dat blijken er meer dan een te zijn.
Het stroomgebied van de 64-km lange Matanza-Riachuelo valt immers onder drie jurisdicties: de nationale Staat, de Provincie Buenos Aires en de Autonome Stad Buenos Aires. Een ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ was jarenlang synoniem voor ‘geen verantwoordelijkheid’. Het resultaat hoopte zich letterlijk op in González Catán.
Lobos’ klacht ligt nu op het bureau van de rechter. Of in de kast. Eternit-zaakvoerder Cozzi is er alleszins van overtuigd dat zijn bedrijf niets te vrezen heeft. “Dit is een storm in een glas water. Een kleine onvoorzichtigheid van onzentwege. Er zijn duizenden actoren die dit gebied maken tot wat het is. Raadslid Lobos en Greenpeace hebben de foute vijand gekozen.”
dinsdag 28 juni 2011
[Aankondiging artikel] Een Belgische asbestberg in Argentinië

Lees het volledige artikel donderdag 30 juni 2011 op Apache.be
vrijdag 15 april 2011
Snot in de yogales

Foto Unitopia
Wie zich inschrijft voor pakweg een cursus aquarelschilderen, weet wat te verwachten: papier, verf en een opdracht. Niet zo bij een yogacursus. Yoga is een cultuur, net als yoghurt. Het kan álle kanten uit (zie ook de Dolfijnengeluiden in het Oude Badhuis).
Een blik op de leraar geeft meestal een richting aan, maar dan is het eigenlijk al te laat. De mijne had een Thaise vissersbroek aan. Zo'n model waarmee je vissen kan vangen (ik denk dat ze hun oriëntatie verliezen door de ingewikkelde batikpatronen). Hij praatte als een meisje maar was, aan zijn broeksvormen te zien, een man. Yoga is ying en yang tegelijk.
Halverwege de les – na het ontspannen, samen 'oooong' zingen, en een potje circular breathing in kleermakerszit - liet de yogavoorman een doosje met papieren zakdoekjes rondgaan. Ik begon onrustig te schuifelen.
'Neem er maar één want de snot zal hier in het rond vliegen, no importa.'
'Snot' klonk erg... werelds. Ik nam voor de zekerheid een tissue en schoof de doos zo vloeiend mogelijk door naar de vrouw met haarband – er waren alleen maar vrouwen - naast me. Er volgde een rare ademhalingsoefening met puffende neusstoten. De leraar sloot zijn ogen en zijn snot vloog inderdaad in het rond. Ik sloot mijn ogen en probeerde te reizen naar een plek waar dat soort dingen niet gebeurden.
Blijkbaar viel ik in slaap want ik werd wakker toen de vissersbroek voorstelde om elkaar vaarwel te knuffelen. Euh. Een zwetende vrouw, waar mijn armen niet rond pasten, knuffelde zich erg dicht tegen mij. Ze fluisterde 'namasté' in mijn oor. Ik wilde net 'no gracias' zeggen maar de yogavoorman wapperde me geruststellend toe met zijn broek. In yoga kan dat allemaal, jongen.
Dit cursiefje verscheen in juli 2011 in Lambik, een nieuw tijdschrift voor Belgen in Latijns-Amerika.
maandag 28 februari 2011
Wolkenkrabbers en hoogvliegers

Foto Rogerio Melo _
SAM VERHAERT, SÃO PAULO (18/02/11, De Tijd)
FGV-EAESP, een van de meest prestigieuze businessscholen in Zuid-Amerika, ligt niet aan de rand van een favela. Het leger buldert er niet met tanks voorbij op zoek naar drugsbaronnen. En op de stoep staan geen opdringerige venters, lijm snuivende straatkinderen of getatoeëerde bendeleden. De blitse wolkenkrabber van de Fundação Getulio Vargas staat in het hartje van São Paulo’s financiële centrum. De jongeren die er studeren, zijn nu al binnen. Braziliaanse bedrijven plukken hen zo van de collegebanken.
FGV-EAESP mag dan een naam hebben die deuren opent, zonder pasje blijven die van de privé-universiteit gesloten. Onder het oog van een zwarte bewaker, een geblondeerde receptioniste met blauwe oogschaduw en een camera, zippen studenten in maatpak zichzelf binnen. Bij mij zijn vijf telefoontjes en een kopie van mijn paspoort nodig. ‘Niet iedereen komt er zomaar in’, waarschuwt academisch directeur Maria Tonelli. ‘Zoals elk bedrijf denken we aan de veiligheid van onze studenten en docenten.’
Cappuccino
Tijdens de rondleiding wordt duidelijk waarom Maria Tonelli haar onderwijsinstelling een onderneming noemt. Op het gelijkvloers springt meteen de Citibank-lounge in het oog, exclusief voor masterstudenten die met een cappuccino binnen handbereik willen internetten in een designsofa. In een gezellig hoekje van de lounge staat een bankautomaat.
Op de eerste verdieping zitten de Banco Santander- en de Petrobras-aula. Cadeautjes van ex-studenten die het hebben gemaakt in het Braziliaanse bedrijfsleven. De negende verdieping herbergt het schoolfiliaal van de Bradesco-bank. Handig, want met het maandelijkse collegegeld van 2.422 Braziliaanse reais (1.075 euro) loop je in São Paulo niet over straat.
Volgens Maria Tonelli weerhoudt die prijs studenten uit alle hoeken van het land er overigens niet van zich in São Paulo te komen klaarstomen voor de arbeidsmarkt. ‘Voor het eerst krijgen we ook meer buitenlandse studenten op uitwisseling dan dat er studenten van ons vertrekken. Waarom zouden ze? We vertellen hen al jaren dat Brazilië ’t eeuwige land van de toekomst is. En nu zien ze dat die toekomst er eindelijk is.’
"Mijn generatie laat geen kansen liggen. Nog voor 2025 is Brazilië de vijfde economie ter wereld" (Patrícia Rezende, 25 jaar)Aan de andere kant van de stad, in de wolkenkrabber van de Business School São Paulo (BSP). ‘Reken maar van yes! Nog vóór 2025 zijn wij de vijfde economie ter wereld’, zegt de MBA-studente Patrícia Rezende (25) terwijl ze uit het raam tuurt, een slagroomsoes in de ene en een verse sinaasappelsap in de andere hand. De receptie na een lezing over sociale media is een prima plek om te netwerken.
Patrícia werkte sinds haar 16de, maar ging opnieuw studeren toen ze zag dat sociale netwerken dezelfde vlucht vooruit namen als de economie. Van alle internetgebruikers zijn Brazilianen diegenen die het meeste tijd doorbrengen op blogs en sociale netwerken, vooral op Googles Orkut. ‘Mijn generatie laat geen kansen liggen. We zijn opgegroeid met sociale media. Dat maakt ons enorm proactief’, zegt Patrícia. ‘Volgend jaar lanceer ik met een paar medestudenten een bedrijfje. Neen, daar kan ik nog niets over zeggen, ‘t blijft geheim.’
Armando Colletto, de decaan van de BSP, komt erbij staan. ‘Voel je het optimisme? Daar heeft deze generatie alle redenen voor. De Braziliaanse economie bevindt zich op een zeer bijzonder punt. De combinatie van stabiel politiek beleid (niemand verwacht veranderingen onder presidente Dilma Rousseff), een sterke munt, snelle economische groei en grootse infrastructuurwerken voor de wereldbeker in 2014 en de Olympische Spelen in 2016 maakt van Brazilië een veilige haven voor investeerders. De toekomst lacht deze jongeren toe.’
"We werken op café of op de universiteit. Mijn laptop is mijn kantoor." (César Matsumoto, 24 jaar)
César Matsumoto (24) is die toekomst al aan het schrijven. Nog voor hij afstudeerde aan FGV-EAESP, werkte hij al als ‘consultant in complexe intelligentie’. Als hij me ziet fronsen, stelt hij voor naar het Engels over te schakelen. Daarna tekent hij een mindmap met pijlen naar begrippen als ‘transdisciplinaire dialoog’ en ‘U-theorie’. De young potential praat als een dertiger. Multinationals en het stadsbestuur van São Paulo huren hem geregeld in om innovatieprocessen te begeleiden.
Ik ontmoet César de volgende dag in The Hub, een vrijplaats voor jonge ondernemers in de sociale economie. Webdesigners met ingewikkelde brilmonturen, investeerders in pak en kunstenaars op teenslippers zitten op multifunctionele designmeubels van gerecycleerd karton. Ze discussiëren over de ecologische uitdagingen van het WK en de Spelen. De ruimte baadt in het licht, er zijn druiven en bananen in houten bakjes. ‘Ideaal, want ik mis soms wat vitaminen’, zegt César lachend. ‘We zijn een snelle generatie. We werken op café of op de universiteit. Mijn laptop - binnenkort koop ik een Mac - is mijn kantoor.’
Op zijn 18de droomde César van een wereld zonder grenzen. Nu zegt hij realistischer te zijn. ‘In 2025 heb ik mijn eigen consultancybureau. Multilatina uiteraard, want ook in de omringende landen zijn zaken te doen. Dat vergeten mijn leeftijdsgenoten wel eens.’ César is een wereldverbeteraar, maar eentje met beide voeten in de wereld. Dat mag best wat opbrengen. Hij werkt nu voor 200 reais per uur (90 euro). Binnen vijf jaar wil hij 500 reais vragen, net geen minimum maandloon in Brazilië.
Césars verhaal is dat van vele Brazilianen. Toen zijn ouders, Japanse immigranten, in de jaren zestig aankwamen, verkochten ze zelfgemaakte juwelen. Ze pikten een graantje mee van de economische groei en schoven op naar de C-klasse. Die ‘nieuwe middenklasse’ heeft een maandinkomen tussen 1.126 en 4.854 reais (506 tot 2.181 euro). Toen Luiz Inácio Lula da Silva in 2003 begon te regeren, kon 27 procent van de bevolking zich tot de C-klasse rekenen, nu is dat al 50,5 procent.
Zwart-wit
César was een voorbeeldige student en kreeg een renteloze lening van FGV-EAESP. ‘Maar dat heb ik verzwegen. Uit schaamte. Het is een school voor rijken. Heb je gemerkt dat er geen enkele negro rondloopt?’ Een teer punt. Brazilië is een van de tien meest ongelijke landen ter wereld. Er is verbetering maar de ongelijkheid kleurt er nog altijd behoorlijk zwart-wit. Maatschappelijk succes lees je vaak af aan de huidskleur. ‘De zwarten die ik op de universiteit heb gezien, werkten als bewaker of onderhoudspersoneel’, zegt César.
Hoe zit dat op de publieke universiteiten, waar de helft van alle studenten school loopt? In de gangen van de faculteit economie van de Universiteit van São Paulo (USP) is er op het eerste gezicht meer kleur. Dit jaar zullen er bijna 3.000 economen afstuderen. De USP onderricht zo’n 88.000 jongeren, op kosten van de staat. Josué Braga (25), laatstejaars boekhoudkunde, zou het anders niet kunnen betalen. Hij komt uit Bahía, de zwartste staat van het land.
‘Ik kus beide handen dat ik hier binnen ben geraakt. De onderwijskwaliteit aan privé-universiteiten, op dure scholen als FGV-EAESP na, verbleekt bij die van de USP’, zegt hij. Volgens de jongste Academic Ranking of World Universities is dat zelfs de beste van het continent. Josué heeft er hard voor moeten blokken. ‘De toelatingsproeven zijn zo moeilijk dat je er enkel in komt als je over een degelijke achtergrondkennis beschikt.’
"Ik blijf proberen tot ik in de toelatingsproeven slaag. Ik wil journalist worden." (Marila, 22 jaar)En daar knelt nu net het schoentje. Alle professoren en studenten zeggen het, maar Josué kan het weten: het publieke basisonderwijs is ondermaats. Klassen met veertig leerlingen, slecht betaalde leerkrachten, te weinig leermiddelen. Volgens het nationaal onderwijsinstituut INEP zit 85 procent van de schoolgaande jeugd in hetzelfde schuitje. Wie het geld heeft, stuurt zijn kind tussen zijn 6 en 17 dus naar een dure privéschool (15%), om op latere leeftijd gratis hoogstaand onderwijs te genieten.
Men verwijt Lula da Silva - de eerste Braziliaanse president zonder universitair diploma - zijn eenzijdige investeringen in hoger onderwijs. Maar voor de decaan van de USP-faculteit economie, Reinaldo Guerreiro, maakte Lula de juiste keuze. Glunderend zegt hij dat de evaluatiecommissie CAPES zijn masteropleidingen administratie en economie zonet met de hoogste scores van het land heeft beloond. ‘Wat ik zeg, is niet democratisch. Maar voor mij is dit een noodzakelijke opoffering om straks een goed onderrichte elite van masters en MBA’s aan het hoofd van ons land te krijgen.’
Marila (22) is zover nog niet. Ze woont in een arme buitenwijk van São Paulo. Ik tref haar in een aula van de rechtenfaculteit, een voormalig klooster en een van de oudste gebouwen van het stadscentrum. Het marmer blinkt. Een trap kronkelt prestigieus rond een galerij met schilderijen van voorname clerici.
Marila zit met haar vriendinnen, 16 en 18, te giechelen op de tweede rij. Ze dragen sportschoenen met een logo dat lijkt op dat van Nike. Een schooljaar lang komen ze hier bijscholen in de zogenaamde cursinho. De niet-gouvernementele organisatie Educafro gebruikt de aula om leerlingen van afro-Braziliaanse afkomst, wiens ouders geen goed basisonderwijs konden betalen, klaar te stomen voor de toelatingsproeven van de publieke universiteit.
Brahma
Marila heeft er net de eerste proeven op zitten. ‘Ik begreep er niet veel van, zo veel moeilijke woorden. Maar als ik nu niet slaag, blijf ik proberen. Ik wil journalist worden.’ Haar leerkracht geschiedenis knikt haar bemoedigend toe vanachter zijn katheder. Na de les vertrouwt hij me toe dat die kans klein is. Van de vier jongeren die volgend jaar aan de USP mogen beginnen, zal er maar één op een publiek schooltje hebben gezeten.
Als ik uit de aula kom, begint het te gieten. Prostituees die als flamingo’s tegen de etalage van de Banco do Brasil staan, halen een paraplu boven. Donkere figuren tegen de gevel van de faculteit schuilen onder kleurloze dekens. Een man op teenslippers pist in een hoek.
In de kelder van de rechtenfaculteit is het droog. Studenten roken rond een tafelvoetbal. Het rode licht van de toog belicht een karikatuur van presidente Dilma. In deze ‘fakbar’ heeft haar huidige vicepresident nog nachtenlang zitten discussiëren. Tweedejaars Diego Degani (26) en Daniel Teixeira (27) vieren het einde van de examens. Ze praten over voetbal en drinken Brahma, een Braziliaans biermerk van AB InBev.
‘Het lukt waarschijnlijk niet eens om een ticket te krijgen voor de wedstrijden in onze stad,’ zucht Diego. Daniel vult aan: ‘We zijn heel pessimistisch over de wereldbeker. Dit land beschikt niet over de infrastructuur om zo’n evenement te organiseren.’ De geplande snelheidstrein die je in tweeënhalf uur van São Paulo naar Rio de Janeiro zou brengen, lijkt er in elk geval niet meer te komen vóór 2014. Voor de Olympische Spelen lukt het misschien nog net.
"Sommige jongeren denken dat de wereld is ontstaan op het moment dat ze werden geboren." (Maria Tonelli, directeur FGV-EAESP)Toen bekend raakte dat Rio de Spelen binnenhaalde, zei president Lula, met de tranen op zijn wangen, dat zijn land niet langer tot de tweede klasse behoorde. Daniel gelooft er niet echt in. ‘Sommigen gaan hier heel veel geld aan verdienen. Vandaar de opgeklopte euforie. Maar in de Braziliaanse politieke context staan zulke evenementen voor massale fraude.’
Politiek. Bijna alle studenten die ik spreek, hebben er iets over te zeggen. Goed bezig, te links, te rechts. Eén constante in de verhalen: te corrupt. Lula’s presidentschap kende inderdaad de nodige schandalen. En zijn opvolgster, Dilma Rousseff, heeft het thema vooralsnog niet bovenaan op haar agenda gezet. Veel jongeren van de gouden generatie keren de oude politieke cultuur dan ook de rug toe. Ze kijken vooral naar hun portemonnee. In de woorden van één van hen: ‘We willen genoeg geld verdienen én tijd hebben om het op te doen.’ Diego en Daniel zijn tevreden met een job als rechter. ‘Maar niet in de hoge magistratuur, die zijn politiek benoemd.’
Diego en Daniel bestellen nog een liter bier. Een paar stoelen verder zit Victor Gadelha (20). Hij is niet vies van de politiek. Vertegenwoordigt al twee jaar de studenten in de Faculteitsraad. Kan het goed uitleggen, een echte advocaat. Hij heeft zich pas nog kwaad moeten maken over de kortzichtigheid van sommige medestudenten om privé-initiatief buiten de universiteit te willen houden. ‘Ik kan uren praten over de thema’s van je artikel’, snoeft hij. We vertrekken naar zijn appartement.
De B van Big
De plassen zijn alweer opgedroogd, diesel dampt door de straten. Victor is in kostuum. Hij komt net van zijn stage, een advocatenkantoor met 400 werknemers. Hij stelt voor de metro te nemen, maar vertelt er meteen bij dat hij wel een eigen auto heeft. ‘Maar het verkeer in deze stad is een hel. Ik gebruik hem enkel om met vrienden naar het winkelcentrum te gaan, mijn Volkswagen Fox 2011 1.6. Een cadeautje van mijn pa.’
Victors vader is een bouwondernemer in Fortaleza, 3.000 kilometer ten noorden van São Paulo. ‘Een achtergestelde regio die zich snel zal ontwikkelen. Er vestigen zich steeds meer bedrijven, en die hebben goede advocaten nodig. Binnen tien jaar heb ik er mijn eigen kantoor: mijn manier om iets terug te doen voor de regio. De markt in São Paulo is toch verzadigd.’
Als we zijn appartement naderen, in het financiële centrum, vraagt hij me bezorgd naar de toestand in Europa. Hij is niet de eerste die denkt dat het hele continent op straat staat te schreeuwen voor een boterham. De financieel-economische crisis is redelijk geruisloos aan de Brazilianen voorbijgegaan. Victor is daar best trots op: ‘We kunnen heus wel wat hebben op dit moment in de geschiedenis. Van alle BRIC-landen staan wij er het beste voor.’
Het kan aan hun optimistische geest liggen, maar voor zowat alle Brazilianen die ik spreek, staat Brazilië niet voor niets vooraan in de afkorting van ‘The big four’. Meest gehoord: ‘Brazilië heeft een grote voorsprong op de andere BRICs op het vlak van democratie.’ Ook vaak vermeld: ‘De BRIC-landen zijn grote afzetmarkten. Kijken hoe we straks kunnen samenwerken.’
Victor stelt me voor aan een vrouw die hij zijn secretaresse noemt. Het blijkt een empregada, een meid. We zien haar koken, wassen en schoonmaken voor Victor en zijn twee huisgenoten. ‘Veel meer dan een ei bakken, kunnen we niet’, zegt hij lachend. Zijn maten zijn er niet. Op hun bedden liggen stapels onuitgepakte cursussen. Een van hen heeft anderhalve meter flatscreen tegen de muur hangen. ‘Die jongen staat al wat verder dan ik,’ legt Victor uit. Maar hij ziet het minstens even groot.
Maria Tonelli van FGV-EAESP glimlacht om zoveel zelfvertrouwen. ‘Deze generatie heeft de recessie en mega-inflatie van de jaren tachtig niet meegemaakt. Sommige jongeren denken dat de wereld is ontstaan op het moment dat ze werden geboren. Ze moeten nog leren alles een beetje in perspectief te zien.’
In een immer uitdeinende stad met 11 miljoen inwoners, de tweede helikoptervloot ter wereld en het zesde grootste bruto nationaal product ter wereld is dat niet evident. Zeker niet voor de hoogvliegers van deze snelle generatie. In het land van de toekomst is morgen vandaag.
_
Dit artikel kadert in een vierdelige reeks waarin De Tijd gesprekken met de Gouden Generatie in de vier BRIC-landen aangaat. Lees ook de bijdrages van mijn collega's over Rusland, India en China.
vrijdag 18 februari 2011
woensdag 9 februari 2011
De Grote Bosbeving
In 2007 werkte ik met mijn tekenzus onderstaand kinderboek uit. Geen enkele uitgever hapte toe. Loes zou later wel Geert De Kockere's kinderboek 'Van Uil tot Mol' illustreren. Herken je de uil?
vrijdag 29 oktober 2010
Presidentas als supermama’s

Foto Isaac Ribeiro
Wereldwijd zwaaien op dit moment slechts twaalf verkozen vrouwen de plak over hun land. Drie van hen zijn latina’s. Dilma Rousseff wordt zondag in Brazilië waarschijnlijk de nummer vier en de twaalfde regeringsleidster in de geschiedenis van Latijns-Amerika. Verrassend in een continent van macho’s en Maria’s, of het logische gevolg van de ruk naar links?
‘Ze overdrijven, met al die presidentas.’ Taxichauffeurs in Buenos Aires staan niet bekend om hun vrouwvriendelijke opmerkingen. Vraag je hun of ze dat dan niet normaal vinden, aangezien er toch evenveel vrouwen als mannen zijn, dan doen ze er een schepje mannenzweet bovenop: ‘Echt waar? Heeft elke man hier dan geen vijf vrouwen?’
De jongste vijf jaar vertoonden de clichés over Zuid-Amerika echter barstjes. In 2005 verbaasde Michelle Bachelet, presidente tot begin dit jaar, Jan en alleman door in het conservatieve Chili de verkiezingen te winnen. De impact op de regio kan je gerust historisch noemen.
Twee jaar later zou de Argentijnse Cristina Fernández de Kirchner volgen, dit jaar nam Laura Chinchilla de sjerp over in Costa Rica. Ook aan het hoofd van de kleine Caribische eilandenstaat Trinidad en Tobago staat een vrouw, zij het dan als een (rechtstreeks verkozen) premier. Zondag kan Dilma Rousseff het twaalfde vrouwelijke staatshoofd van het continent worden. Nu hangt ze nog ergens onderaan in de Forbes-top 100 van machtige vrouwen. Straks staat ze misschien naast Angela Merkel als machtigste staatsleider in mantelpak.

Michelle Bachelet - Foto Chile Ayuda a Chile
Isabel Perón
Toeval of niet: de eerste presidente ter wereld was een latina. Isabel Perón volgde in 1974 in Argentinië haar overleden echtgenoot op. Sindsdien kwamen ook in andere continenten de vrouwelijke regeringsleiders op. Vandaag komt ook Europa sterk uit de hoek, met verkozen vrouwelijke leiders in Duitsland, Ierland, Finland, IJsland, Litouwen en Slowakije. In de rest van de wereld gaat het om Bangladesh, India en Liberia.
Maar nooit is de trend van vrouwen aan de top zo sterk geweest als de voorbije veertig jaar in Latijns-Amerika. Ook in Bolivia, Haïti, Nicaragua, Ecuador, Brits Guayana en Panama stonden al vrouwen aan het roer. Maar deze presidentes waren veeleer uitzonderingen die de regel bevestigden: in de politiek dragen mannen de broek. En als ze die uitlenen aan hun vrouw, is dat meestal tijdelijk.
‘Zo niet de jongste vijf jaar’, zegt Sonia Montaño, directrice gender bij de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Latijns-Amerika (CEPAL). ‘De laatste vier presidentes hebben stuk voor stuk zelf hun strepen verdiend. Dat er achter elke vrouw een sterke man met lange armen staat, gaat niet meer op.’
Meer nog: de señoras hebben zich stuk voor stuk opgewerkt in traditioneel mannelijke functies. Dat hielp. Braziliaanse onderzoekers stelden vast dat de geloofwaardigheid van vrouwelijke leiders steeg naarmate ze meer ‘mannelijke’ eigenschappen als besluitvaardigheid, moed en macht toegedicht kregen. Zo veroorzaakte Michelle Bachelet ophef in de regio als eerste vrouwelijke minister van Defensie. De Costaricaanse Laura Chinchilla was minister van Justitie, Dilma Rousseff minister van Economie, voor president Luíz Inácio ‘Lula’ da Silva haar als kabinetschef vroeg.
Cristina Fernández de Kirchner zat al twaalf jaar in het parlement toen ze in 2007 haar man, Néstor Kirchner (afgelopen woensdag onverwacht overleden), opvolgde. Ze vroeg meteen diens achternaam te laten vallen en haar aan te spreken met Fernández. Ook verwees ze consequent naar zichzelf als ‘presidenta’, een verbuiging die in het Spaans niet bestond. Toen ze met 43 pro- cent van de stemmen won, vervaagde haar gendergevoeligheid echter snel. Vanop de oppositiebanken in het parlement riepen feministen dat die er nooit geweest was.
‘Maar ze speelde het wel slim uit’, zegt Elisabet Gerber, onderzoekster bij de Friedrich Ebert Stiftung (FES) in Chili. ‘Vrouwen zijn de jongste jaren immers stemmenkanonnen. Het heeft lang geduurd eer vrouwen op iemand van hun eigen geslacht begonnen te stemmen. Maar in Chili bijvoorbeeld is het electoraal rendement van politica’s nu hoger dan dat van hun mannelijke collega’s: procentueel bekeken worden ze meer verkozen dan mannen.’
‘Ze staan symbool voor politieke vernieuwing. Ironisch genoeg zetten gevestigde partijen hen meestal in om hun beleid voort te zetten. Met een nieuw elan. Als vrouw. Bachelet zorgde voor continuïteit na drie regeerperiodes van dezelfde centrumlinkse coalitie. Fernández kwam op voor de partij van haar man, die zelf partijvoorzitter werd. En in Brazilië schoof Lula Dilma naar voren, toen hij na twee ambtstermijnen moest aftreden.’
Latijns-Amerika heeft leidsters in alle geledingen van de maatschappij, van weversvakbonden tot boerenbewegingen. Qua politieke vertegenwoordiging, een indicator van de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties, doet het continent het dan ook niet zo slecht. Gemiddeld is bijna één op de vijf parlementszetels ingenomen door een vrouw. Dat is meer dan het wereldwijde gemiddelde (18%) en dat van de VS (17%), maar komt nog niet in de buurt van ons land (38%), Zweden (46%) of Rwanda (56%).
‘Zonder nationale quota was dit niet mogelijk geweest’, legt Sonia Montaño uit. ‘In liefst 13 Zuid-Amerikaanse landen is 20 tot 50 procent van de zetels gereserveerd voor vrouwen. In 1991, voor de invoering van de quota in Argentinië, namen ze nog geen 6 procent van het parlement in. Nu staat Argentinië, net als Costa Rica, bijna in de globale top 10, met net geen 40 procent vrouwelijke vertegenwoordiging. Chili, dat geen nationale quota heeft, hobbelt achterop op de 80ste plaats.’

Cristina Fernández de Kirchner - Foto ¡Que comunismo!
Link met links
Heeft het fenomeen van de presidentas misschien iets te maken met de ruk naar links van het voorbije decennium? Afgezien van Costa Rica bevindt zowel Chili, Argentinië als Brazilië zich eerder aan de linkerkant van het politieke spectrum.
Volgens María Escobar-Lemmon, politicologe aan de universiteit van Texas, is er een verband. Linkse presidenten in Latijns-Amerika geven sneller ministerposten aan vrouwen, dan hun collega’s van conservatieve partijen. Meer kans ook dat dat een prestigieuze post als Defensie, Economie of Buitenlandse Zaken is. Dat maakt het moeilijker voor een opvolger om vrouwen helemaal te weren uit het kabinet.
Volgens Montaño is er meer onderzoek nodig om die link hard te maken. ‘Het doet er ook niet zo toe, als de positie van de vrouw maar verbetert. Vrouwelijke politici in landen als Mexico, Argentinië, Uruguay en Peru overstijgen zelfs de partijgrenzen om daar samen voor te ijveren. Links en rechts dienen in zogenaamde ‘bancadas femeninas’ samen wetsvoorstellen in rond thema’s als familiaal geweld en arbeidsrechten. Dat werkt vaak beter.’
Er is immers nog werk aan de winkel. Het laatste ‘Global Gender Gap’-rapport van het Wereld Economisch Forum ziet maar lichte vooruitgang in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Voor politieke en economische participatie, en de toegang tot gezondheid en onderwijs horen Cuba, Costa Rica en Argentinië tot de top 30, 14 plaatsen onder België. Omdat mannen in Brazilië een derde meer verdienen dan hun vrouwelijke collega’s, scoort het land slecht (85ste plaats). Guatemala en Suriname figureren niet eens in de top 100.
‘Daarom stem ik zondag op een vrouw.’ De Braziliaanse journaliste Fernanda Papa is van mening dat ze als vrouw beter af is met een cheffin. Uit onderzoek van de universiteit van Mississippi blijkt inderdaad dat politica’s meer aandacht besteden aan vrouwenbelangen en thema’s als kinderen en het gezin dan mannen. In conservatief Latijns-Amerika, maar evenzeer in progressieve Scandinavische landen. Dertig jaar geleden noemde men hen daarom ‘supermadres’: goede moeders die voor hun burgers zorgden, zonder evenwel de traditionele rol van de vrouw ter discussie te stellen.

Laura Chinchilla - Foto Gobierno de Guatemala
Op zijn vrouwtjes
Tijden veranderen. De huidige generatie politica’s durft voorzichtig feministische standpunten in te nemen. Bachelet drukte een vernieuwend beleid rond kinderopvang door - al werd ze uitge- spuwd toen ze de morning-afterpil verdedigde. Onder Fernández kwam het homohuwelijk er. En Dilma Rousseff moest haar mannetje staan toen de evangelische lobby haar in volle campagne een babymoordenares noemde door haar onduidelijk standpunt over abortus.
Voor Montaño maakt het in principe niet uit wie er aan de touwtjes trekt. ‘In de eerste plaats moet een land goed bestuurd worden. Vrouwen zijn daar niet per se beter in.’ Regeren ze ‘op zijn vrouwtjes’, zoals CD&V-politica Marianne Thyssen het uitdrukte? ‘Daar geloof ik niet in. Een horizontale stijl, liever, zachter: allemaal stereotypen. Is er een overeenkomst tussen de stijl van Margaret Thatcher en Michelle Bachelet? Wat hebben de centrumlinkse Fernández en de liberale Chinchilla gemeen? Ik zou het niet weten.’
Misschien de manier waarop taxichauffeurs en de pers op hen reageren? Een deel van de Argentijnse pers schrijft nog steeds meer over Fernández’ kleding, gewicht en make-up dan over haar beleid. Bachelet moest tijdens haar campagne antwoorden op de vraag wie haar kind naar school zou brengen. En over Rousseff schrijft men als een harde ex-guerrillera die martelingen doorstond tijdens de militaire dictatuur maar de zachte, vrouwelijke kant van Lula zou missen.
Fernanda Papa en de Elisabet Gerber hopen in ieder geval op Dilma. Als rolmodel. Zoals Bachelet destijds: toen die in een schooltje vroeg wat de leerlingen later wilden worden, antwoordden alle meisjes: 'Presidenta'. Vijf jaar eerder was dat totaal ondenkbaar. Toen ze die vraag in Finland stelde, waar presidente Tarja Halonen aan haar tweede ambtstermijn bezig is, kreeg ze dezelfde antwoorden. Een jongetje bleef stil. 'Wil jij dan geen president worden?' vroeg Bachelet. 'In mijn land worden jongens geen president.'
Op zijn vrouwtjes
Tijden veranderen. De huidige generatie politica’s durft voorzichtig feministische standpunten in te nemen. Bachelet drukte een vernieuwend beleid rond kinderopvang door - al werd ze uitgespuwd toen ze de morning-afterpil verdedigde. Onder Fernández kwam het homohuwelijk er. En Dilma Rousseff moest haar mannetje staan toen de evangelische lobby haar in volle campagne een babymoordenares noemde door haar onduidelijk standpunt over abortus.
Voor Montaño maakt het in principe niet uit wie er aan de touwtjes trekt. ‘In de eerste plaats moet een land goed bestuurd worden. Vrouwen zijn daar niet per se beter in.’ Regeren ze ‘op zijn vrouwtjes’, zoals CD&V-politica Marianne Thyssen het uitdrukte? ‘Daar geloof ik niet in. Een horizontale stijl, liever, zachter: allemaal stereotypen. Is er een overeenkomst tussen de stijl van Margaret Thatcher en Michelle Bachelet? Wat hebben de centrumlinkse Fernández en de liberale Chinchilla gemeen? Ik zou het niet weten.’
Misschien de manier waarop taxichauffeurs en de pers op hen reageren? Een deel van de Argentijnse pers schrijft nog steeds meer over Fernández’ kleding, gewicht en make-up dan over haar beleid. Bachelet moest tijdens haar campagne antwoorden op de vraag wie haar kind naar school zou brengen. En over Rousseff schrijft men als een harde ex-guerrillera die martelingen doorstond tijdens de militaire dictatuur maar de zachte, vrouwelijke kant van Lula zou missen.
Fernanda Papa en Elisabet Gerber hopen in ieder geval op Dilma. Als rolmodel. Zoals Bachelet destijds: toen die in een schooltje vroeg wat de leerlingen later wilden worden, antwoordden alle meisjes: ‘Presidenta’. Vijf jaar eerder was dat totaal ondenkbaar. Toen ze die vraag in Finland stelde, waar presidente Tarja Halonen aan haar tweede ambtstermijn bezig is, kreeg ze dezelfde antwoorden. Een jongetje bleef stil. ‘Wil jij dan geen president worden?’ vroeg Bachelet. ‘In mijn land worden jongens geen president.’
‘Ze overdrijven, met al die presidentas.’ Taxichauffeurs in Buenos Aires staan niet bekend om hun vrouwvriendelijke opmerkingen. Vraag je hun of ze dat dan niet normaal vinden, aangezien er toch evenveel vrouwen als mannen zijn, dan doen ze er een schepje mannenzweet bovenop: ‘Echt waar? Heeft elke man hier dan geen vijf vrouwen?’
De jongste vijf jaar vertoonden de clichés over Zuid-Amerika echter barstjes. In 2005 verbaasde Michelle Bachelet, presidente tot begin dit jaar, Jan en alleman door in het conservatieve Chili de verkiezingen te winnen. De impact op de regio kan je gerust historisch noemen.
Twee jaar later zou de Argentijnse Cristina Fernández de Kirchner volgen, dit jaar nam Laura Chinchilla de sjerp over in Costa Rica. Ook aan het hoofd van de kleine Caribische eilandenstaat Trinidad en Tobago staat een vrouw, zij het dan als een (rechtstreeks verkozen) premier. Zondag kan Dilma Rousseff het twaalfde vrouwelijke staatshoofd van het continent worden. Nu hangt ze nog ergens onderaan in de Forbes-top 100 van machtige vrouwen. Straks staat ze misschien naast Angela Merkel als machtigste staatsleider in mantelpak.
Isabel Perón
Toeval of niet: de eerste presidente ter wereld was een latina. Isabel Perón volgde in 1974 in Argentinië haar overleden echtgenoot op. Sindsdien kwamen ook in andere continenten de vrouwelijke regeringsleiders op. Vandaag komt ook Europa sterk uit de hoek, met verkozen vrouwelijke leiders in Duitsland, Ierland, Finland, IJsland, Litouwen en Slowakije. In de rest van de wereld gaat het om Bangladesh, India en Liberia.
Maar nooit is de trend van vrouwen aan de top zo sterk geweest als de voorbije veertig jaar in Latijns-Amerika. Ook in Bolivia, Haïti, Nicaragua, Ecuador, Brits Guayana en Panama stonden al vrouwen aan het roer. Maar deze presidentes waren veeleer uitzonderingen die de regel bevestigden: in de politiek dragen mannen de broek. En als ze die uitlenen aan hun vrouw, is dat meestal tijdelijk.
‘Zo niet de jongste vijf jaar’, zegt Sonia Montaño, directrice gender bij de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Latijns-Amerika (CEPAL). ‘De laatste vier presidentes hebben stuk voor stuk zelf hun strepen verdiend. Dat er achter elke vrouw een sterke man met lange armen staat, gaat niet meer op.’
Meer nog: de señoras hebben zich stuk voor stuk opgewerkt in traditioneel mannelijke functies. Dat hielp. Braziliaanse onderzoekers stelden vast dat de geloofwaardigheid van vrouwelijke leiders steeg naarmate ze meer ‘mannelijke’ eigenschappen als besluitvaardigheid, moed en macht toegedicht kregen. Zo veroorzaakte Michelle Bachelet ophef in de regio als eerste vrouwelijke minister van Defensie. De Costaricaanse Laura Chinchilla was minister van Justitie, Dilma Rousseff minister van Economie, voor president Luíz Inácio ‘Lula’ da Silva haar als kabinetschef vroeg.
Cristina Fernández de Kirchner zat al twaalf jaar in het parlement toen ze in 2007 haar man, Néstor Kirchner (afgelopen woensdag onverwacht overleden), opvolgde. Ze vroeg meteen diens achternaam te laten vallen en haar aan te spreken met Fernández. Ook verwees ze consequent naar zichzelf als ‘presidenta’, een verbuiging die in het Spaans niet bestond. Toen ze met 43 procent van de stemmen won, vervaagde haar gendergevoeligheid echter snel. Vanop de oppositiebanken in het parlement riepen feministen dat die er nooit geweest was.
‘Maar ze speelde het wel slim uit’, zegt Elisabet Gerber, onderzoekster bij de Friedrich Ebert Stiftung (FES) in Chili. ‘Vrouwen zijn de jongste jaren immers stemmenkanonnen. Het heeft lang geduurd eer vrouwen op iemand van hun eigen geslacht begonnen te stemmen. Maar in Chili bijvoorbeeld is het electoraal rendement van politica’s nu hoger dan dat van hun mannelijke collega’s: procentueel bekeken worden ze meer verkozen dan mannen.’
‘Ze staan symbool voor politieke vernieuwing. Ironisch genoeg zetten gevestigde partijen hen meestal in om hun beleid voort te zetten. Met een nieuw elan. Als vrouw. Bachelet zorgde voor continuïteit na drie regeerperiodes van dezelfde centrumlinkse coalitie. Fernández kwam op voor de partij van haar man, die zelf partijvoorzitter werd. En in Brazilië schoof Lula Dilma naar voren, toen hij na twee ambtstermijnen moest aftreden.’
Latijns-Amerika heeft leidsters in alle geledingen van de maatschappij, van weversvakbonden tot boerenbewegingen. Qua politieke vertegenwoordiging, een indicator van de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties, doet het continent het dan ook niet zo slecht. Gemiddeld is bijna één op de vijf parlementszetels ingenomen door een vrouw. Dat is meer dan het wereldwijde gemiddelde (18%) en dat van de VS (17%), maar komt nog niet in de buurt van ons land (38%), Zweden (46%) of Rwanda (56%).
‘Zonder nationale quota was dit niet mogelijk geweest’, legt Sonia Montaño uit. ‘In liefst 13 Zuid-Amerikaanse landen is 20 tot 50 procent van de zetels gereserveerd voor vrouwen. In 1991, voor de invoering van de quota in Argentinië, namen ze nog geen 6 procent van het parlement in. Nu staat Argentinië, net als Costa Rica, bijna in de globale top 10, met net geen 40 procent vrouwelijke vertegenwoordiging. Chili, dat geen nationale quota heeft, hobbelt achterop op de 80ste plaats.’
link met links
Heeft het fenomeen van de presidentas misschien iets te maken met de ruk naar links van het voorbije decennium? Afgezien van Costa Rica bevindt zowel Chili, Argentinië als Brazilië zich eerder aan de linkerkant van het politieke spectrum.
Volgens María Escobar-Lemmon, politicologe aan de universiteit van Texas, is er een verband. Linkse presidenten in Latijns-Amerika geven sneller ministerposten aan vrouwen, dan hun collega’s van conservatieve partijen. Meer kans ook dat dat een prestigieuze post als Defensie, Economie of Buitenlandse Zaken is. Dat maakt het moeilijker voor een opvolger om vrouwen helemaal te weren uit het kabinet.
Volgens Montaño is er meer onderzoek nodig om die link hard te maken. ‘Het doet er ook niet zo toe, als de positie van de vrouw maar verbetert. Vrouwelijke politici in landen als Mexico, Argentinië, Uruguay en Peru overstijgen zelfs de partijgrenzen om daar samen voor te ijveren. Links en rechts dienen in zogenaamde ‘bancadas femeninas’ samen wetsvoorstellen in rond thema’s als familiaal geweld en arbeidsrechten. Dat werkt vaak beter.’
Er is immers nog werk aan de winkel. Het laatste ‘Global Gender Gap’-rapport van het Wereld Economisch Forum ziet maar lichte vooruitgang in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Voor politieke en economische participatie, en de toegang tot gezondheid en onderwijs horen Cuba, Costa Rica en Argentinië tot de top 30, 14 plaatsen onder België. Omdat mannen in Brazilië een derde meer verdienen dan hun vrouwelijke collega’s, scoort het land slecht (85ste plaats). Guatemala en Suriname figureren niet eens in de top 100.
‘Daarom stem ik zondag op een vrouw.’ De Braziliaanse journaliste Fernanda Papa is van mening dat ze als vrouw beter af is met een cheffin. Uit onderzoek van de universiteit van Mississippi blijkt inderdaad dat politica’s meer aandacht besteden aan vrouwenbelangen en thema’s als kinderen en het gezin dan mannen. In conservatief Latijns-Amerika, maar evenzeer in progressieve Scandinavische landen. Dertig jaar geleden noemde men hen daarom ‘supermadres’: goede moeders die voor hun burgers zorgden, zonder evenwel de traditionele rol van de vrouw ter discussie te stellen.
Op zijn vrouwtjes
Tijden veranderen. De huidige generatie politica’s durft voorzichtig feministische standpunten in te nemen. Bachelet drukte een vernieuwend beleid rond kinderopvang door - al werd ze uitgespuwd toen ze de morning-afterpil verdedigde. Onder Fernández kwam het homohuwelijk er. En Dilma Rousseff moest haar mannetje staan toen de evangelische lobby haar in volle campagne een babymoordenares noemde door haar onduidelijk standpunt over abortus.
Voor Montaño maakt het in principe niet uit wie er aan de touwtjes trekt. ‘In de eerste plaats moet een land goed bestuurd worden. Vrouwen zijn daar niet per se beter in.’ Regeren ze ‘op zijn vrouwtjes’, zoals CD&V-politica Marianne Thyssen het uitdrukte? ‘Daar geloof ik niet in. Een horizontale stijl, liever, zachter: allemaal stereotypen. Is er een overeenkomst tussen de stijl van Margaret Thatcher en Michelle Bachelet? Wat hebben de centrumlinkse Fernández en de liberale Chinchilla gemeen? Ik zou het niet weten.’
Misschien de manier waarop taxichauffeurs en de pers op hen reageren? Een deel van de Argentijnse pers schrijft nog steeds meer over Fernández’ kleding, gewicht en make-up dan over haar beleid. Bachelet moest tijdens haar campagne antwoorden op de vraag wie haar kind naar school zou brengen. En over Rousseff schrijft men als een harde ex-guerrillera die martelingen doorstond tijdens de militaire dictatuur maar de zachte, vrouwelijke kant van Lula zou missen.
Fernanda Papa en Elisabet Gerber hopen in ieder geval op Dilma. Als rolmodel. Zoals Bachelet destijds: toen die in een schooltje vroeg wat de leerlingen later wilden worden, antwoordden alle meisjes: ‘Presidenta’. Vijf jaar eerder was dat totaal ondenkbaar. Toen ze die vraag in Finland stelde, waar presidente Tarja Halonen aan haar tweede ambtstermijn bezig is, kreeg ze dezelfde antwoorden. Een jongetje bleef stil. ‘Wil jij dan geen president worden?’ vroeg Bachelet. ‘In mijn land worden jongens geen president.’
zondag 1 augustus 2010
Blikjes en gorilla's op Sfinks
Drie dagen media gemaakt voor De Wereld Morgen op Sfinks Mixed 2010. Foto's van blikjes en video's over gorilla's...
vrijdag 16 juli 2010
De schreeuw van de straat. Graffitiwoede in Buenos Aires
Sam VERHAERT. Gepubliceerd in Kunsthart (15/07/10)
Ze hadden het moeten weten. Toch schrokken ze in het Centro Cultural de España in Buenos Aires (CCEBA). De verf was nog nat. Op de muur prijkte, twee meter op twee, Juan Carlos I, koning van Spanje. Brutaal onthoofd, blauwe bloeddruppels rond de nek. De Argentijnse graffiti-artiest Nazza Stencil stond ernaast. CCEBA had hem uitgenodigd om, een paar dagen voor de opening van een conferentie over straatkunst, iets te komen spuiten. 'Jullie kennen mijn werk, jongens. Ik schijt op instellingen, ook op jullie koning.'
De koning onthoofden in het jaar dat Argentinië tweehonderd jaar onafhankelijkheid viert, wat zouden ze daar van denken in Spanje? CCEBA belegde een spoedvergadering. Maar Nazza hield de eer aan zichzelf en overspoot de koning. In de plaats kwam een skelet dat rond een spuitbus danste. Op de bus: een flakkerende molotovcocktail. Graffiti in Buenos Aires is licht ontvlambaar.

CCEBA had dus geen betere plek kunnen kiezen voor een conferentie over interventies in de stad. 'Buenos Aires is uniek,' vertelt gastspreker El Tono, een Franse graffiteur die in Barcelona woont. 'Nergens anders in Latijns-Amerika vind je zoveel diversiteit op de muren.'
Wie zich samen met dertien miljoen mieren door groot-Buenos Aires wriemelt – een nest zo groot als Oost-Vlaanderen – moet het hem nageven. Er zijn maar weinig witte muren. In de oude wijken San Telmo en Palermo bots je overal op ironische stencils (afdrukken gespoten door uitgesneden sjablonen), met de hand getekende affiches en opruiende stickers. De overheidsgebouwen in het centrum worden tijdens betogingen beklad met pintadas (politieke slogans). En politici betalen schilderbendes onder tafel om de stad in hun partijkleuren te verven.
'Dit is geen kunst,' beweert een stencil op één van de stadsmuren. 'Het is een revolutie!' heeft iemand er in haastige letters onder geklad. In Buenos Aires schreeuwen de muren harder dan in andere Latijnsamerikaanse steden. Niemand kijkt er op van slogans als 'Wij zijn lesbos – uw moeders, dochters en zussen', 'Zolang er miserie is, is er rebellie!' en (president) 'Cristina Kirchner = hoer'. Dat heeft zo zijn redenen.
Het land van Che Guevara

Buenos Aires noemt zich graag het 'Parijs van Latijns-Amerika'. Een plek waar decennialang Europese migranten toestroomden en zich al snel een relatief grote en geletterde middenklasse vormde. Argentijnen zijn een trots en intellectueel volk dat Europese kranten leest en in de stadsmuren een uitlaatklep vindt voor politieke frustraties. Anarchistische slogans in de jaren twintig, populistische boutades in de jaren veertig en artistieke kreten wanneer de stormen van mei '68 de Argentijnse kust bereiken. Terwijl iemand in Buenos Aires 'Het is strikt verboden te verbieden (Wet van 13 mei 1968)' neerkladt, reizen er stencils de wereld rond van de meest beruchte Argentijn ooit: Ernesto 'Che' Guevara.
Nog geen tien jaar later wordt het spook van het communisme brutaal de mond gesnoerd. 'Schilderen tijdens de militaire dictatuur (1976-1983) was je leven riskeren.' Filmmaker Juan Trasmonte herinnert zich in het boek Graffiti Argentina dat de muren in Buenos Aires in die tijd spatvrij waren. 'De militairen plaatsten een ring rond de Obelisk met de slogan “Stilte is gezondheid”. Officieel een campagne tegen de geluidshinder van het verkeer, maar de dubbele betekenis was duidelijk.'
Als de dictatuur barsten begint te vertonen en men de eindbalans opmaakt (minstens 10.000 'vermisten'), eist men de straat weer op. Met de losse pols spuiten collectieven als Los Vergara en Secuestro poëtische en politieke spitsvondigheden op de muur. 'De muren hebben oren', 'Blaffende honden luisteren niet', 'De enige kerk die verlicht is een brandende kerk', 'Doet u dit thuis ook?' of 'Ik heb een poster van jullie allemaal in mijn kamer - El Che'.
Een logische reactie, schrijft onderzoeker Lyman Chaffee in Political Protest and Street Art. 'Graffti is overal ter wereld een alternatief antwoord op een orde die door de staat of de samenleving wordt opgelegd.' Na de verstikkende dictatuur kan de Argentijnse samenleving weer naar adem happen. Als in geen ander land gebruikt ze de muren tegen het grote vergeten.
Duizenden silhouetten

Een donderdag in juli op de Plaza de Mayo. Tegen de achtergrond van het roze presidentieel paleis schuifelen bejaarde vrouwen in een cirkel. Er huppelen toeristen achteraan met hun camera´s: ze proberen én de 'Dwaze Moeder' met het witte sjaaltje én de foto van hun vermist kind op het schermpje te passen. De Madres kijken er niet meer van op. Ze doen het al 17 jaar, rondjes lopen om gerechtigheid te eisen. En vooral, om niet te vergeten.
In 1983, aan de vooravond van de democratie, plakten ze samen met kunstenaars en studenten de stad vol met duizenden levensgrote silhouetten. In elk silhouet stond de naam van een 'vermist' slachtoffer. Door de doden een gezicht te geven, kwam de nationale tragedie pas echt tot leven. Na de stilte kon er weer geschreeuwd worden.
Vandaag de dag kan je niet door Buenos Aires wandelen zonder op een stencil te stuiten van een man met een baret en een vraagteken in het aangezicht. Julio López, een sleutelgetuige in de processen tegen de militairen, had de raadselachtige eer om als eerste Argentijn in 2006 voor de tweede keer te 'verdwijnen'. Het ligt er dik op: 'Waar is hij?'
Sommige groepen gaan verder om het blazoen van de militairen te bespatten. De kinderen van verdwenen ouders (HIJOS) bekogelen van tijd tot tijd de huizen van beulen en de detentiecentra waar ze gemarteld hebben met rode verfbommen. Of ze overplakken, samen met straatkunstcollectief Grupo de Arte Callejero, reclameborden met zelfgemaakte 'Stadskaarten van de Genocide'. Voorbijganger houden halt om te kijken of er rode bollen in hun wijk staan. Die duiden de adressen aan van de medeplichtige maar ongestrafte militairen. De grove borstel, zeg maar.
Pijlen over de oceaan
Graffiti maakt de afwezigen aanwezig. Het is de stencil die hen vermenigvuldigt. Vanaf 2001 zetten jongeren deze goedkope techniek massaal in om hun ongenoegen als een kanker over de stad te verspreiden. In dat jaar stuikt de Argentijnse economie in elkaar onder het gewicht van een nooit geziene schuldenberg. Op twaalf dagen tijd treden vier presidenten af. De beroofde middenklasse staat op straat. Letterlijk, om met een lepel op een kookpot te slaan voor de verzegelde deuren van buitenlandse banken.
De crisis schudt het politieke bewustzijn van de jeugd bruut wakker. Stencilcollectieven als Run don´t walk, Bs. As. Stencil, Vomito Attack richten hun pijlen op de Verenigde Staten, de kerk en de politici. 'Dat ze allemaal vertrekken!' wordt de slogan van een generatie.
Wie goed kijkt vindt nog stencils op oude muren van het centrum: 'Kill Bill' onder een portret van Bill Gates, 'Disney War' onder Bush Junior met Mickey Mouse-oren, het vrijheidsbeeld met een zeis. Onder invloed van design en reclame verpakken de stencileros hun boodschappen steeds compacter en visueel sterker. Ook de overgewaaide hiphop-graffiti beïnvloedt de vorm, al houdt die zich zelf ver van het politieke.
Tijdens die crisisjaren ontwikkelt ook Nazza Stencil, de man die de koning van Spanje een kopje kleiner maakte, een eigen stijl. De belangrijkste proteststem in de Argentijnse graffitiscène noemt de spitsvondige slogans van de jaren tachtig een belangrijke inspiratiebron. De stenciltechniek liet hem toe om in artistieke richting te evolueren. Nazza ziet het groots.

Foto Nazza Stencil
Neem America libre, een postkoloniaal tweeluik. Deel één staat in La Matanza, een reusachtige buitenwijk van Buenos Aires genoemd naar een slachtpartij onder inheemse volkeren in koloniaal Argentinië. Daar schiet een van de oorspronkelijke inwoners een pijl af. Tienduizend kilometer verder, in Barcelona, ligt koningin Isabel de Borbón, koloniaal boegbeeld, op de grond met pijlen in arm en oog. Ook hier: blauwe bloeddruppels.
Nazza spuit liefst in de sloppenwijk zelf. Dat is een politieke keuze. Hij toont een huizenhoog portret van een vuilnisman. 'Een hommage, geschilderd op een plaats die verf nodig had.' Een van zijn laatste stencils is een levensgroot silhouet van een jonge gast, de handen boven het hoofd. Drie meter verder de schaduw van een man met een pistool. Hij lacht: 'Als je beter kijkt, zie je dat het een Bijbel is. Hier berooft een pastoor een straatjoch.'
Verdraagzaam voor verf

Belgrano, Noord-Buenos Aires. De man in maatpak, het haar strak in een staartje, is ongemakkelijker dan de verkoper met tattoo en piercing. Hij heeft een briefje vast, met de kleuren en merken van de spuitbussen die hij wil. Niet voor hemzelf... voor zijn zoontje van dertien. Lynk, artiest en verkoper in een van de best bezochte graffitishops van de stad, kijkt er niet van op. 'Het is heel normaal dat een vader zijn zoon daarin steunt. Graffiti wordt hier niet zo scheef bekeken.'
Sego, artiest uit Mexico Stad, verbaast zich wel over de reacties in Buenos Aires. 'Toen ik gisteren aan het spuiten was, kwamen mensen me zelfs tips geven.' Komt die tolerantie voort uit de toenadering van het officiële kunstcircuit naar straatkunst? Het prestigieuze Palais de Glace exposeerde in 2008 het werk van tweeënveertig straatartiesten en dit jaar zette CCEBA een conferentie rond straatinterventies op.
El Tono, de Parijzenaar, heeft een andere verklaring: 'Vakwerk wordt hier meer geapprecieerd: het met de hand schilderen van uithangborden is in Latijns-Amerika gebruikelijk. Als ik toestemming vraag om rustig te kunnen schilderen zijn acht op tien reacties in de arme wijken positief. Men kan er geen verf betalen en als ik klaar ben zijn ze trots op hun kunstige voorgevel.'
'Het patrimonium in deze stad is ook niet zo “mooi” als in Europa,' vindt Ruiz Maximiliano, auteur van Graffiti Argentina. Claudia Kozak, professor literatuurwetenschappen en auteur van het boek Contra la pared (Tegen de muur), beaamt dit: 'Buenos Aires is niet zo geordend. Er is veel meer ruimte voor spontaniteit en wanorde. Graffiti eist die ruimte op.' Voor Kozak is graffiti dan ook eigen aan de stedelijke cultuur. 'In Buenos Aires is graffiti officieel niet toegestaan, maar de stadsbewoners zien het niet als een onwettelijke vandalenstreek. Het hoort erbij.'
Graffitiverkoper Lynk kent nog een reden: politieke partijen doen het zelf. Tijdens verkiezingstijd vechten ze immers een verwoede strijd uit op de muren van de stad. Ze betalen schilderbendes om de slogans van rivaliserende partijen te overschilderen in de eigen partijkleuren of hun kandidaten door het slijk te halen. Lynk: 'Dan kunnen ze het ons moeilijk verbieden, he.'
Wie in België betrapt wordt, riskeert een boete tot 250 euro. In Buenos Aires laat de politie betijen. Lynk is er gerust in. 'We gaan heus niet dezelfde weg op als in Europa. Daarvoor hebben we genoeg echte sociale en politieke problemen.'

HART is een tijdschrift voor hedendaagse kunst. Het eerste nummer van HART verscheen in 2006 als antwoord op de verschraling van de cultuurberichtgeving in de gevestigde media. HART groeide in geen tijd uit tot een bijna vanzelfsprekend onderdeel van het Belgische kunstgebeuren en begint zich steeds meer te profileren als een kunstkrant voor de Benelux (en omgeving). Lijst verkooppunten.
Meer info:
- Charlotte Lau, Hermanos en las calles. La historia del arte urbano político y no-político, Stanford: Stanford University, 2008. Beschikbaar op http://bsasgraffiti.wordpress.com/
- Engelstalige Graffiti-tours in Buenos Aires: http://graffitimundo.com
- GAC, Pensamientos, prácticas, acciones, Buenos Aires: Tinta Limón, 2009. Downloaden via http://grupodeartecallejero.blogspot.com/
- Nazza Stencil: http://www.flickr.com/photos/nazza_stncl; http://www.fotolog.com/nazza_stncl
- Ruiz Maximiliano, Graffiti Argentina, Londen: Thames & Hudson, 2008. www.graffitiargentina.com
- Amelie Lambert, Stencil Bs. As., 2008. http://www.youtube.com/watch?v=qeTdtqEwrkc
maandag 26 april 2010
Troebel water tussen Argentinië en Uruguay
dinsdag 1 december 2009
Goldcorp devora el territorio por la fiebre del oro
Publicado en la página web de COPAE, Guatemala (01/12/09). English version available.
Los últimos meses, las monedas y los lingotes de oro se han vendido como tamales de navidad. El dólar cayó, la crisis financiera arrastró todo, pero el oro no perdió posición. Es el principal refugio de inversores nerviosos, y bancos alrededor del mundo están asegurando su futuro almacenando el metal.
Según el World Gold Council, la reserva de oro almacenado es de casí 30.000 toneladas. En 2008, 31% de la demanda total de oro era para la inversión (identificable), 57% se utilizó para joyería y 12% en uso industrial y dental.
O sea, casí un tercio del oro que se extrae no se usa. Se guarda en cajas fuertes. Los pobladores que viven sobre las reservas de este metal no tienen caja fuerte ni oro.
Empresa hambrienta
Los mineros están con hambre. En el departamento de San Marcos, la empresa Canadiense Goldcorp Inc. tiene, a través de sus subsidiarios Montana Exploradora y Entremares de Guatemala, 15 licencias vigentes. Según los últimos datos del MEM, sus licencias ocupan 573 kilómetros cuadrados, lo que equivale al 15% del territorio de San Marcos.
Actualmente, Marlin I es la única licencia donde se está sacando metales en San Marcos. Su impacto es enorme. Montana Exploradora devora el territorio de San Miguel Ixtahuacán y Sipacapa, 24 horas por día. En 2008, se excavó y procesó 1.845.000.000 toneladas de roca en la mina Marlin (según el Informe Anual de Goldcorp). Son más de 1.000 camiones por mes. Dicho de otra forma, 55 piscinas olímpicas de tierra contaminada con cianuro. Cada mes.
El mismo año, Montana extrajo y vendió 241.300 onzas de oro, con el precio promedio del oro a 870 US$/ onza. Los datos son orgullosamente publicados en su página web para los tiburones accionistas en los 7 mares del neoliberalismo. Algunos inversionistas golosos en Canadá, Suecia, Noruega y otros países febriles ya sacaron sus calculadoras para 2009 porque el precio del metal casí triplicó.
Cuando Montana, en 2002 todavía parte de Glamis Gold, empezó sus exploraciones en San Marcos, el oro se cotizaba a 309,66 US$. No sorprende que Goldcorp Inc., la empresa mamá en Canadá, afirma ser la minera de oro más rentable del mundo. Fanfarronea que de todas las empresas mineras, la suya crece a mayor velocidad. 'Calidad'.
Migajas para los pobres
El clima actual le favorece bastante a las industrias extractivas. El Estado de Guatemala aún más. El Director Ejecutivo para Centroamérica y Sudamérica de Goldcorp Eduardo Villacorta, en las audiencias de la Comisión de transparencia del Congreso de la República, afirma que la Mina Marlin utiliza 12 litros de agua por segundo.
Saquemos nuestros calculadoras, por favor. Son 1.036.800 litros diarios. Una familia campesina, gasta unos 30 litros por día, podría sobrevivir 91 años con esa cantidad. La empresa le ha pagado 0.000.000 Q al estado y otros 0.000.000 Q a las comunidades.
No obstante, en El Ingeniero, su folleto para las comunidades, Montana afirma de haber invertido 15.407.810 Q de 2006 al 2008 en proyectos de desarrollo comunitario. Aunque eso le corresponde al Estado de Guatemala, y no a un Santa Claus falso, seamos honestos: no es poco.
Sin embargo, hay que entenderlo como migajas para los pobres. No alcanza ni siquiera a un porciento si lo comparamos con las ganancias netto de Montana en ese periodo: 188.800.000 US$. Más de un millar y medio de Quetzales.
Para los que quieren marearse: mamá Goldcorp, que saca oro en todas las Américas, ganó 2.344.000.000 US$ en estos años. En Quetzales ni cabe en la calculadora.
Ni El Ingeniero, ni la página web, mencionan el conflicto social que causa la distribución de sus proyectos 'de desarrollo'. Donde hay ganadores, hay perdedores. Como explica el Padre Eric Gruloos:
"Los que se atreven a oponerse a la mina, cosechan el rencor de sus vecinos. Los trabajadores de la mina amenazan a mis parroquianos. 'Si la mina no nos da la cancha deportiva, el asfalto o el maestro para nuestra escuela, es porque usted no se ha callado.' Este terror me recuerda al conflicto armado."
Goldcorp no vino a San Marcos a 'desarrollar' los pueblos. Vino a sacar metales de gran valor en circunstancias favorables. Punto. Vino a ganar dinero y gana un dineral con este clima financiero. Es una empresa gorda. Y le encanta comer del plato de los demás.










